Tijdens onze laatste Algemene Vergadering mochten we twee nieuwe bestuursleden verwelkomen. Eén daarvan is Tine Van Poucke (Musea Brugge).
Hoe ben je in de museumsector terechtgekomen?
Na mijn studies kunstwetenschappen aan UGent volgde ik in Antwerpen het postgraduaat monumenten-en landschapszorg dat ik combineerde met studentenjobs en vrijwilligerswerk in de culturele sector. Ik begon te gidsen in het Provinciaal Archeologisch Museum in Velzeke, begeleidde architectuurwandelingen in Gent en deed een studentenjob als promomedewerker bij Klara. Het heeft ruim een jaar geduurd vooraleer ik een vaste job vond in de museumsector. In de 20 jaar dat ik er actief ben heb ik in verschillende instellingen kunnen proeven van heel diverse aspecten van de museumwerking. Ik startte in 2004 bij Musea Brugge als projectmedewerker waar ik instond voor de redactie van de Topstukkenlijst Vlaamse primitieven. Daarna kon ik als coördinator tentoonstellingen starten bij BOZAR waarna ik terugkeerde naar Musea Brugge om er aan de slag te gaan als adjunct-conservator met een heel divers takenpakket: collectieregistratie, coördinatie van tentoonstellingen en beheer van het tekeningen -en prentenkabinet. In 2006 werd ik verantwoordelijk voor de educatieve dienst van het MSK Gent. In 2010 keerde ik terug naar Brugge waar ik publiekswerker werd in het Groeningemuseum. Na een reorganisatie in 2020 coördineer ik de publieksbemiddeling voor volwassenen en lifelong learning voor alle museumlocaties van Musea Brugge (incl. BRUSK).
Welk museumbezoek heeft de grootste indruk op je gemaakt, en waarom?
In 2015 kreeg ik de kans om met een groep publiekswerkers en collega’s van FARO een studiereis te maken naar New York. We bezochten er de belangrijkste musea (The Met, MOMA, Guggenheim, Frick Collection, Brooklyn Museum, Tenement Museum en een werfbezoek aan het nieuwe Whitney) en konden er in gesprek gaan met onze Amerikaanse collega’s-publiekswerkers. Het werd een enorm verrijkende en inspirerende week waar ik nog heel vaak aan terug denk. Wat een privilege om die wereldberoemde musea achter de schermen te bezoeken en kennis te maken met hun medewerkers. Het was vooral ook heel fijn om dat samen met collega’s uit Vlaamse en Brusselse musea te doen.
In The Frick namen we deel aan een slow art talk onder begeleiding van Rika Burnham. Het schilderij dat we samen bekeken en bespraken staat nog steeds op mijn netvlies gebrand: Bellini’s ‘Franciscus in de woestijn’. Ik wou hier heel graag mee experimenteren in ons eigen museum en daarom organiseerden we bij onze terugkeer i.s.m. FARO, een studiedag over slow art in Brugge. We hebben dat jaar met een aantal Belgische musea voor het eerst deelgenomen aan de internationale Slow Art Day.
Ook het bezoek aan The Cloisters zal me voor altijd bijblijven. Het was zo bijzonder om je in een Amerikaanse stad in een Frans klooster te wanen. En de omstandigheden maakten het nog unieker want we landden in New York tijdens een sneeuwstorm en stapten door centimeters hoge sneeuw de beboste helling op richting het museum waar die miljoenenstad veraf leek.
Als je één object uit een museumcollectie een week lang mee naar huis mocht nemen, welk zou dat zijn?
Als student hing op mijn slaapkamer ‘Duizeling’ van Spilliaert. In postervorm weliswaar en laat het origineel vooral in de collectie van Mu.ZEE hangen!
Wat spreekt je het meest aan in je huidige functie?
Ik werd door een ex-collega in Gent ooit een publiekswerker pur sang genoemd en ze had het bij het rechte eind. Ik heb diverse taken uitgeoefend in musea maar mijn hart ligt vooral bij publieksbemiddeling. Ik ben gepassioneerd door kunst en cultuur, maar nog meer door mensen. Mijn passie voor onze schitterende collectie kunnen delen met de meest diverse bezoekers geeft me enorm veel energie. Als wereldverbeteraar hoop ik via mijn job toch ook een beetje bij te dragen aan een betere maatschappij. Die sociale bewogenheid combineren met mijn bezieling voor kunst kwam al tot uiting in mijn thesis over sociale woningbouw uit het interbellum in Gent. Ook als museummedewerker bewaar ik mijn beste herinneringen aan projecten waarbij ik onze collectie toegankelijk kon maken voor een publiek voor wie een museumbezoek minder evident is (mensen in kansarmoede, bezoekers met een migratie-achtergrond, blinden en slechtzienden, …).
Waarom werd je lid van het bestuursorgaan van ICOM Belgium Flanders?
Mijn antwoord sluit aan bij dat van collega-bestuurslid Dominique Dendooven. Ook ik ben al 20 jaar trots lid van ICOM waardoor ik vaak in ideale omstandigheden, zonder te hoeven aanschuiven, kan genieten van museumbezoeken in binnen-en buitenland.
Ik werd bestuurslid omdat ik sterk geloof in het delen van kennis en expertise. Ik hoop met mijn 20 jaar ervaring in de museumsector iets te kunnen betekenen voor ICOM Belgium Flanders.
Ik vind het vooral een meerwaarde om te horen wat er internationaal leeft en beweegt in de sector, maar zeker ook over de taalgrens. Dat de museum-en erfgoedsector in Vlaanderen en Wallonië helaas gescheiden werelden zijn besefte ik een paar jaar geleden toen ik deelnam aan een studiedag over toegankelijkheid in Brussel - georganiseerd door ICOM België - en amper Franstalige collega’s herkende.
We leven in op alle vlakken zeer uitdagende tijden met voor iedereen ook krappere budgetten. Het kan alleen maar lonen om meer samen te werken en dat lukt beter als je elkaar beter leert kennen.
Welke podcast, boek of tentoonstelling zou je momenteel aan collega’s aanbevelen?
Ik lees momenteel ‘Al het moois in de wereld’ (‘All the Beauty in the World’) van Patrick Bringley. Na de dood van zijn broer besluit de 24-jarige Bringley om zijn hectische job bij het prestigieuze tijdschrift The New Yorker op te geven en te solliciteren als suppoost in The Metropolitan Museum of Art in New York. Vanuit een behoefte om in deze periode van rouw letterlijk stil te staan op een plek die in zijn ogen ‘ongevoelig is voor de ritmes van alledag’. Hij blijft er 10 jaar en houdt van zijn job: ‘Het is simpel en duidelijk, je leert dingen en je gedachten behoren helemaal aan jezelf’. Ondanks het enorme schaalverschil – hij is één van de meer dan 2000 medewerkers in een mastodont die ruim 7 miljoen bezoekers per jaar ontvangt- is zijn beschrijving van het reilen en zeilen achter de schermen van een museum heel herkenbaar: de hiërarchie tussen de werkvloer en ’de bureaus’, zijn observatie van de verschillende types museumbezoekers,…
Niet alleen is dit boek een ode aan het werk van onze collega’s-erfgoedbewakers, maar vooral is het heel mooi om te lezen hoe kunst verweven raakt met zijn leven en troost biedt in een heel zware periode.

